menu

‘Ik ben de Flevo Campus’: Peter van IJzendoorn

Twee komkommers, een kropsla, een bloemkool en een pond tomaten. Zodra de tomaten handmatig zijn afgewogen en ingepakt, kan de kar verder rijden naar de koeling waar kaas en vlees klaarliggen. De sla is gistermiddag geoogst en vanmorgen binnengekomen. Klanten die in de buurt wonen, krijgen vandaag, donderdag, hun bestelling en eten dus sla die gistermiddag nog met zijn wortels in de aarde stond. De rest van de klanten krijgt de boodschappen vrijdag, of op zijn laatst zaterdag.

We zijn in het magazijn van Hofweb in Biddinghuizen, een webwinkel voor biologische boodschappen die twaalf jaar geleden werd opgericht door vier biologische boeren uit Flevoland. Ze hadden geen zin meer om hun aardappels aan een tussenhandelaar te verkopen en daarna voor een te hoge prijs in uniforme zakken in de supermarkt terug te zien. Ze begonnen hun producten via internet te verkopen. 

‘Het is frustrerend voor boeren dat ze geen invloed hebben op hoe hun product in de schappen terechtkomt,’ vertelt Peter van IJzendoorn. ‘Soms zien ze de sla waar ze lange tijd met hart en ziel aan gewerkt hebben, een week later verpieterd in de winkel liggen.’ Van IJzendoorn kan het als boerenzoon van een van de oprichters van Hofweb weten. Hij werkte van kinds af aan mee op de Zonnehoeve, de biodynamische boerderij van zijn ouders in Zeewolde. Zeven jaar geleden nam hij met compagnon Lambertus Zijlstra de dagelijkse leiding over van de boerencoöperatie. De vier boeren werden stille vennoot, en bleven de belangrijkste leveranciers.   

Donderdag is de drukste dag bij Hofweb. Dan worden alle bestellingen die woensdagochtend voor 11.00 uur ’s ochtends via de website zijn binnengekomen ingepakt. Van IJzendoorn: ‘Als woensdagochtend iedereen besteld heeft, kopen wij precies het aantal bloemkolen dat besteld is in, plus eentje extra voor als er iets mis gaat. Aan het einde van de week is de versafdeling helemaal leeg en de rest van het magazijn grotendeels ook. We willen zo min mogelijk voorraad om derving te voorkomen.’ Hij laat een doos komkommers met rare kronkels zien. ‘Deze komkommers verkopen we als kromme komkommers. Ze smaken hetzelfde als rechte, maar zijn een stuk goedkoper en zo worden ze tenminste niet weggegooid omdat ze anders zijn.’ Even verderop staan potjes met biologische bietjes en mais van Stadsboerderij Almere. ‘Deze kopen we van Tom en Tineke.’

In een ideale wereld zouden we al ons eten rechtstreeks kopen bij boeren die we bij de voornaam noemen voor een eerlijke prijs, maar wie op eigen houtje langs verschillende boeren gaat is veel tijd kwijt, en het is ook niet erg milieuvriendelijk. Natuurlijk komt de boer tegenwoordig steeds vaker naar consumenten toe met boerenmarkten, of via groenteclubs. Maar toch wint de supermarkt het vaak omdat deze alles op één plek heeft, en ook steeds meer biologisch eten aanbiedt. ‘Een van de belangrijkste redenen dat de initiatiefnemende boeren hiermee begonnen, was de afhankelijkheid van supermarkten’, vertelt Van IJzendoorn. ‘Supermarkten spelen boeren vaak tegen elkaar uit omdat ze alleen maar zoeken naar de laagste prijs. De boer zit in de tang. De aardappels groeien al, dus de boer moet er wel mee de handel in en is afhankelijk van wat daar gebeurt.’

Een bijkomend probleem is de betaling, legt hij uit. ‘Een boer zaait broccoli. Op het moment dat hij oogst zit er al een paar maanden werk in, maar heeft hij nog geen cent gekregen. Pas nadat het in de supermarkt is verkocht, krijgt de boer een keer geld, en dat is soms een jaar later.’

Om verder te kunnen groeien en meer mensen te bereiken, begonnen ze begin mei een crowdfundingsactie. Binnen 26 uur haalden ze 190 duizend euro op. Honderd mensen bleken hun spaargeld liever in Hofweb te stoppen dan op de bank. ‘Weet je wat het is,’ zegt Van IJzendoorn, ‘mensen voelen zich echt wel verantwoordelijk voor boeren. Als je maar zorgt dat hun verhalen bij mensen terechtkomen. Door bijvoorbeeld wanneer aardappels een keer wat kleiner uitvallen in een filmpje uit te leggen waarom dat zo is. Dan vindt niemand dat een probleem.’ In ruil voor een investering van bijvoorbeeld duizend euro voor vier jaar, krijgen mensen jaarlijks een rendement van zes procent aan verse producten, of een rendement van vier en een half procent in geld. Aan het einde van de periode kunnen mensen hun investering opeten, dus een tegoed krijgen in de webshop, of het geld terugkrijgen.

Door mensen investeerder te maken, wil Hofweb ook zorgen voor meer binding tussen de klanten en de boeren. ‘We verkopen natuurlijk via internet, iets dat vrij eendimensionaal is; het zijn eentjes en nulletjes’, zegt Van IJzendoorn. ‘Het boerenproduct is alles behalve eentjes en nulletjes, het is een gift van de natuur. Ik vind het een interessant filosofisch spanningsveld om het anonieme van het internet te verenigen met wat de boeren doen.’

Van IJzendoorn wist al jong dat hij zelf geen boer wilde worden. Hij studeerde bedrijfskunde in Wageningen en werkte een paar jaar bij een internationale groothandel voor biologische groenten en fruit. ‘Ik vond altijd de schakel na de boerderij het interessantst. Toen ik klein was vond ik het vreemd om het boerenproduct van mijn ouders zomaar een vrachtwagen in te zien gaan, en daarna kwijt te zijn. Ik wilde er echt mijn missie van maken om dat transparant te maken.’ Hij gelooft sterk in lokale voedselketens, niet alleen in Nederland maar wereldwijd. ‘Het heeft geen zin om als Nederlanders te denken dat wij voor de hele wereld tomaten kunnen telen. Dat is logistiek niet haalbaar.’ Dat er veevoer uit andere landen wordt gehaald om Nederlandse koeien te voeren, vindt hij een slechte zaak. ‘We halen nutriënten uit de bodem in minder ontwikkelde landen zodat daar vervolgens niks meer kan worden geteeld. Vervolgens produceren Nederlandse boeren zoveel mest dat ze het nergens kwijt kunnen. De keten klopt niet meer.’

Volgens hem zijn er twee soorten boeren: boeren die innovatief zijn op schaalvergroting en boeren die innovatief zijn op duurzaamheid en diversiteit. ‘Bij onze boeren, de biologische en biodynamische, zit de innovatie in de kwaliteit van voedsel, de inhoudsstoffen ervan en in het duurzaam beheren van de bodem. Zodat er over twintig jaar ook nog wat te oogsten valt.’

Hofweb heeft nu ongeveer 1300 vaste klanten en 700 à 800 bestellingen per week van gemiddeld 65 euro. De winkel bezorgt niet in het hele land, maar in de middenregio; zo’n beetje van Zwolle tot Utrecht en van Haarlem tot Harderwijk. Ook in het zuiden is een bezorgregio sinds er klanten werden overgenomen van een initiatief dat het niet redde. In het zuiden is dan ook weer een ophaalroute voor bijvoorbeeld asperges. Mede door de geslaagde crowdfundingsactie en de groeiende groep bewuste consumenten, komen er steeds meer klanten bij. Het doel is steeds meer boeren te betrekken als leverancier zodat boeren minder afhankelijk worden van de supermarkten. ‘Reggy Waleson van de Warmonderhof, die ook een van de oprichters is, verkoopt nu al zijn sla aan ons en de rest op de markt. Maar bijvoorbeeld Jos en Ellen, onze aardappelleveranciers, hebben zeven hectare aardappels waarvan wij nu nog maar zo’n tien procent verkopen.’

Van IJzendoorn zou graag zien dat Almere zich richt op de duurzame innovatie van voedselketens, niet op grootschaligheid. Lokaal is natuurlijk wel een subjectief begrip, geeft hij toe. ‘Voor Amsterdammers is het heel Nederland en voor Limburgers is het Limburg.’ Almere voeden met eten dat in Flevoland gegroeid is, kan volgens hem makkelijk. Iets wat de Flevo Campus wat hem betreft zou kunnen coördineren. ‘Ik zou het tof vinden om elke Almeerder een aardappel uit Almere te laten eten’, zegt hij. ‘De aardappels zijn er, wij hebben de logistieke faciliteiten, het enige wat je moet doen is een bon in de brievenbussen van alle Almeerders stoppen en zorgen dat er afhaalpunten zijn. Dat kunnen ook de Albert Heijn en Plus zijn. Of desnoods zet je een kuubskist op de Grote Markt, dat kan ook.’

Iets ambitieuzer maar niet onmogelijk is ervoor zorgen dat alle bloemkolen, broccoli en uien in Almere uit de Flevopolder komen. ‘Alles groeit binnen een straal van twintig kilometer van Almere, begin daar gewoon nou een keer mee. Je hoeft ondernemers niet te gaan verplichten, maar je kan het hooguit logischer maken. De gemeente zou echt goede sier maken als ze dit zouden faciliteren.’

Interview door Felicia Alberding
Alle foto’s zijn van Maarten Delobel