menu

‘Ik ben de Flevo Campus’: Lydia van Maurik

Nederlanders eten steeds meer geitenkaas en andere geitenmelkproducten. Dat is goed nieuws voor de geitenhouderij, maar minder voor de bokjes die op melkveebedrijven worden geboren. Voor al die extra kilo’s kaas zijn meer geiten nodig, en een onvermijdelijk ‘bijproduct’ van melkgeiten zijn mannetjesgeiten.

Wat er met deze bokjes gebeurt, wil de geitenkaaseter het liefst niet weten: ze gaan de vernietiging in of worden geslacht zodra ze zes weken oud en acht kilo zijn en dan geëxporteerd naar Zuid-Europa. Toen Lydia van Maurik in 2015 een opleiding biologische landbouw afrondde, besloot ze iets aan het bokkenprobleem te gaan doen. Nu houdt ze geiten in de stal naast haar huis in Schalkwijk en is ze vleeshandelaar. Een vleeshandelaar die zelf al sinds haar vijftiende geen vlees eet.

Als je wil leren vloeken moet je geiten houden – het is een wijsheid die elke geitenhouder kent. ‘Ze maken alles kapot en komen overal uit’, vertelt van Maurik lachend. ‘Ze zijn slim, en denken hele dag na over hoe ze het mij moeilijk kunnen maken. Als je bij een geit denkt, zou dit kunnen? Dan kan het niet. Je moet alles afdekken en geen risico nemen.’ Ze wijst op de ramen van de stal die ze de Bokkenbunker heeft genoemd vanwege de bunkers en forten in de omgeving waar de geiten ‘s zomers grazen. Ze zijn voorzien van een ijzeren rek, zodat ze ze niet intikken met hun hoorns.

Er komt veel kabaal uit de stal. Niet alleen blaten de (op het moment van bezoek) acht geiten luidruchtig tegen elkaar, ook maken ze bokkensprongen van de ene naar de andere kant. Maar Van Maurik maak je niet snel gek. Inmiddels weet ze hoe ze geiten in het gareel houdt. ‘Ze zijn speels en houden van dollen, maar als ze het naar hun zin hebben met klimtoestellen en ze hebben ruimte, dan slopen ze minder. En om 12 uur ‘s middags liggen ze allemaal bij elkaar te chillen, helemaal plat of ondersteboven. Echt, ik raad iedereen aan een geit als huisdier te nemen, zo leuk zijn ze.’

De Bokkenbunker is een oude kalverstal van de boer op wiens erf ze met haar man woont. Als straks de laatste vier bokken van vorig seizoen weggaan, zullen een paar weken later de eerste lammetjes van het volgende seizoen komen. Om dit jaar meer bokjes op te kunnen vangen, gaat ze de stal aan de achterkant uitbouwen. ‘Het eerste jaar, eind 2015, begon ik met zes lammetjes’, vertelt ze. Tijdens haar deeltijdopleiding had ze stages gelopen op biologische geitenmelkveebedrijven. ‘Ik vond het heel leuk maar zag het niet zitten om zelf een melkveebedrijf te beginnen. Dus ik dacht: als ik dan iets wil proberen met boeren maar ik durf nog niet zo groot, misschien kan ik dan iets met die bokjes.’

De boeren voor wie ze had gewerkt, hadden allemaal hetzelfde bokkenprobleem. ‘Het verhaal wordt een beetje weggestopt’, vervolgt ze. ‘Voor biologische boeren is het extra pijnlijk dat ze hun bokken meestal via het gangbare circuit moeten afzetten. Het liefst zouden zij gewoon hun eigen boontjes doppen. De sector is er nu volop mee bezig, maar boeren zijn toch vooral bezig met melk verkopen en hebben helemaal geen tijd om deze tak van sport erbij te gaan doen.’ Nu kiezen boeren in haar ogen voor de ‘makkelijke weg’: ze betalen zo’n vijf tot tien euro per bok zodat de bok wordt afgevoerd.

De eerste zes bokjes die Van Maurik ophaalde bleven vijf maanden bij haar op de boerderij tot ze een halfjaar waren. Ze verkocht het vlees aan twee restaurants en een stuk of tien vrienden. ‘Iedereen vond het lekker dus de februari erna heb ik meteen 25 lammetjes opgehaald, en ook die had ik twee weken later al verkocht. Toen heb ik er nog maar 25 opgehaald. Restaurants die duurzaamheid belangrijk vinden, voelen de urgentie wel om iets met geitenvlees te doen.’

Toen het zomer werd, pachtte ze wat stukjes land in de omgeving van de boerderij en konden de geiten de wei in. Uiteindelijk hield ze 75 geiten in 2016. De geiten bracht ze zelf naar een kleinschalige slachter en vervolgens bracht ze al het vlees zelf rond. Dit alles naast haar baan van 16 tot 24 uur in een crisisopvang voor tieners (‘ook eigenwijze bokken’). ‘Achteraf bleek ik meteen zo’n tien procent marktaandeel te hebben’, lacht ze. ‘Dat had ik niet verwacht, maar bijna niemand deed het toen nog.’ Een van de vaste afnemers is Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Hier hebben ze het hele jaar geitenvlees op de kaart en verwerken ze vier geiten per maand.

Om haar geitenvlees te kunnen verkopen, moest Van Maurik iets doen wat ze al sinds haar vijftiende niet meer gedaan had. Ze moest vlees eten. ‘Ik heb een jaar tegen mijn principes in van alles geproefd, van verschillende dieren. Ik had totaal geen referentiekader: hoe proeft koe ook alweer? Het stomme was dat ik daarna weer moest afkicken, want ik ging het toch weer lekker vinden.’ Inmiddels vindt ze het niet meer moeilijk om geen vlees te eten. ‘Als ik een sappige hamburger zie en denk aan een koe, dan heb ik al geen zin meer. Voor mij ligt het zo dicht bij elkaar.’ Alleen voor haar eigen bokkenvlees maakt ze eens in de zoveel tijd een uitzondering, ook dat is een principeding. En als ze het dan doet, geniet ze er wel van. ‘Een hamburger van bokkenvlees, dat is zo lekker.’ Het lekkerste deel van een geit is de rug, zegt ze overtuigend. ‘Mensen denken vaak de bout maar bij een geit is de het rug omdat ze zo actief zijn. Door de klimtoestellen en het gestoei met de koppen tegen elkaar is de rug één grote plak koteletjes.’

Vindt ze het als dierenvriend moeilijk om een geit na een paar maanden naar de slacht te brengen? ‘Het is confronterend. Ik ben er natuurlijk ook de hele tijd mee bezig, ik weet al vanaf het begin dat ze uiteindelijk een vleespakket worden. Ik zeg het ook vaak: jongens over zoveel weken zijn jullie aan de beurt.’ Vorig jaar wisten vier geiten aan hun lot als vleespakket te ontsnappen, twee van hen vrij letterlijk. ‘Ik was op een dag twee geiten kwijt en dacht: het is Suikerfeest, misschien zijn ze gestolen uit de wei, dat kan namelijk makkelijk. Na een uur zoeken werd ik gebeld door wandelaars in een theehuis twee kilometer verderop. Ze vertelden dat de twee geiten al een halfuur achter ze aanliepen. Dat is toch hilarisch?’ Ze liet de geiten castreren, gaf ze een halsband en promoveerde ze tot wandelbok. ‘In de zomer kunnen ze hun geld gaan verdienen als recreatieobject.’ Naast de twee wandelbokken hield ze ook nog twee andere bokjes en gaf hen namen: Walter, James, George en Konijn. Zij zijn nu ambassadeurs van de Bokkenbunker. ‘Het grappige is dat toen ik had besloten dat ik die bokjes ging houden, er meteen anders mee omging. Met deze geiten kroel ik echt. Voor de anderen zorg ik goed, maar ik kijk ze niet in de ogen zeg maar. Dan kan ik er niet tegen.’

In de korte tijd dat ze bezig is, heeft ze veel kennis opgedaan over het houden van bokken. Kennis waaraan in de geitensector veel behoefte is. ‘Het probleem voor de meeste boeren is dat ze tot in detail weten met welk voer ze de beste melkopbrengst krijgen, en op welke manier de gezondste lammetjes, maar helemaal niks over bokjes. Omdat ik op kleine schaal alles heb kunnen uitproberen weet ik nu wat het effect is van ruimte, hoe oud je ze moet laten worden, hoe je omgaat met de bronstijd, hoe groot de groepen moeten zijn, al dat soort dingen.’ Toch is het niet haar droom om de grootste bokkenboer van Nederland te worden, het gaat haar vooral om het bokjesdilemma oplossen. 

‘Ik ben toch niet echt een type voor een grootschalige boerderij. Ik wil vooral het verhaal vertellen en de boerderij openstellen zodat mensen het hele proces kunnen zien. Misschien in de toekomst met een compagnon erbij zou het wel groter kunnen, zolang de zorg voor het individuele dier niet in de knel komt.’ Ze hoop dat de Flevo Campus een plek gaat zijn waar heel veel informatie op één plek beschikbaar is. En ook dat de campus ondersteuning biedt in het opbouwen van een markt voor geitenvlees die blijvend is, en geen hype. Supermarkten die geitenvlees gaan verkopen, vindt ze nog niet direct een goed idee. ‘Omdat het relatief duur is moeten grote partijen echt een commitment maken. Dus als een winkel als Albert Heijn zegt: met Pasen gaan we geitenbout in plaats van lamsbout verkopen en ze vinden de bouten twee weken van tevoren goedkoper in het buitenland, waar moeten alle boeren dan heen met hun geiten?’

Dat het vlees duur is, heeft te maken met de lichaamsbouw van de bokken. Hun moeders zijn melkgeiten en die zijn ranker dan vleesdieren. Van Maurik: ‘Een geit is pezig, vergelijkbaar met een klein reetje. Je stopt er evenveel voer in als bij vleesdieren, en je hebt de helft van de kilo’s.’ Een van de dingen die ze als biologische boer interessant vindt om uit te pluizen, is het beste rantsoen voor geiten. Ze experimenteert met verschillende granen en luzerne, een grassoort die heel eiwitrijk is. ‘Als mensen gaan steggelen over de prijs, dan kan ik ze precies laten zien wat alles kost. Het voer, de weidegang, de eerste intensieve weken als de bokjes heel jong zijn; ik hoop dat klanten dat zien. En ik geloof dat het kan, met een goed verhaal een eerlijke prijs voor je product krijgen.’

Voorlopig richt ze zich op het creëren van een markt, een markt die groot genoeg is om de tienduizend bokjes uit de biologische melksector een waardig leven te geven, maar ook weer niet groter dan dat. ‘Mijn idee is dat er zo weinig mogelijk bokken zijn en dat de bokken die er zijn een goed leven krijgen. Ik wil gewoon dat ze het allemaal naar hun zin hebben, ook al leven ze maar kort.’

Lydia van Maurik organiseert verschillende evenementen met haar ambassadeurs, waaronder geitenyoga, en op 14 oktober een heus Boktoberfest, een feestje met bokbier en bokkenvlees. Alle evenementen worden op de Facebookpagina gedeeld.

Interview door Felicia Alberding
Alle foto’s zijn van Maarten Delobel